Wie is Karel?

Wie ben ik?


Op 13 juni 1961 werd ik geboren als zoon van Alfred Van Butsel en Godelieve Versteele. Ik ben sindsdien ook de broer van Marleen.


In 1990 werd ik bovendien de man van Martine Fransis, en in 1991, 1995 en 1999 de fiere papa van Wouter, Karolien en Kaatje.

Van 1998 (voorzitter CD&V Mechelen) langs 2000 (onderhandelaar voor het "nieuwe Mechelen") over 2006 (lijsttrekker kartel CD&V/N-VA) tot 2012 (oppositieleider Mechelen) speelde ik als vrijwilliger een vooraanstaande rol in de Mechelse politiek. In 2004 was ik ook kandidaat nationaal voorzitter voor CD&V onder de slogan 'vrijwilligers aan de macht'. Jo Vandeurzen werd verkozen.


Professioneel heb ik me als Handelsingenieur in de Beleidsinformatica opgewerkt tot lid van het senior management van Fluvius, na ook gewerkt te hebben bij Siemens, Ebes, Electrabel en Eandis.


In 2012 ben ik gestopt met de vrijwillige politiek "in de vuurlinie". Maar het maatschappelijk debat en de politieke vertaling er van laten me niet los. Ik blijf ook actief buiten mijn vele werkuren, via sociale media, boekenclub, Vlaamse service club, politiek debat en maatschappelijk engagement.


En ik ben natuurlijk ook van jongs af aan nen echte "Kakker"...

Karel Van Butsel

Waar ik voor sta


Maatschappelijk engagement valt niet uit de lucht. Ze is ingebed in een diepe overtuiging. Het échte AVV/VVK vond ik vanaf mijn jeugd een prachtig symbool: de combinatie van de vredesboodschap, de Vlaamse boodschap en de gelovige boodschap. Die overtuiging drijft me voort. 


Maar alles is ondergeschikt aan diegenen die ik liever zie dan wie dan ook: Martine, Wouter, Karolien en Kaatje. Ook onze kinderen hun partners staan vooraan in de rij: Birgit, Michiel en Stakke, die intussen deel uit maken van ons gezin. En natuurlijk mijn zus, schoonbroers en schoonzussen, neven en nichten. Een heel speciale plaats hebben ook mijn lieve mama, papa, schoonmama en schoonpapa die we de voorbije jaren hebben moeten laten vertrekken naar de hemel. Ze blijven er toch ook altijd een beetje bij.


HIER LIGGEN HUN LIJKEN
ALS ZADEN IN 'T ZAND,
HOOP OP DEN OOGST
O VLAANDERLAND.

En oh ja,

had ik je al verteld

dat ik ook

een echte kakker ben ? 

Voor papa.


 

Papa, hallo, hier ben ik dan,

Ik ben de baby, jij de man,

Hallo, ik groei, je neemt mijn hand,

En stilaan groeit ook onze band.

 

Een band die aarzelt, “puberteit”,

En zich herstelt: “volwassenheid”.

Jouw rust keert weer, bij mij geen tijd.

’t Is echt geen onverschilligheid

 

Tot “nood breekt wet”, een val, veel pijn,

Met mama in het rusthuis zijn.

De tijd meedogenloos … maar fijn,

want plots voor ons meer samen zijn,

 

Je leren kennen, helemaal

Met elke stap in jouw verhaal,

Je twijfel, blind en bijna doof,

Blijft toch… jouw liefde, je geloof,

 

Je zocht de waarheid, altijd weer,

Je wou perfectie, keer op keer,

En toch, je wist, het hoeft niet meer,

Ik mag nu opgaan in de Heer

 

Je lachte bijna, je wou rust,

Ik heb je dan nog zacht gekust,

“Tot ziens” gezegd, geen afscheidswoord,

Want jij leeft altijd in ons voort.


Karel Van Butsel. 

Voor mama.


Moedertje, ik kan het niet begrijpen

De wetenschap verklaart je kil en koud.

Maar moedertje, ik kan je hand nog grijpen.

Z'is warmpjes omdat ik van je houd.


Ze zeggen dat je ziel je heeft verlaten,

En dat je hart nu stokt en stille staat,

Maar moedertje ik kan nog met je praten,

Omdat ons liefde nimmer, nooit vergaat.


Karel Van Butsel.